ECLI:NL:CRVB:2016:583
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding deels vernietigd
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder en stond ingeschreven op een adres waar zij woonde. Na een melding dat W al twee jaar bij haar zou wonen, startte de sociale recherche een onderzoek. Dit leidde tot een besluit tot intrekking van de bijstand vanaf 22 september 2010 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder melding.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep stelde het dagelijks bestuur het besluit over de periode tot 1 februari 2011 niet langer te handhaven wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Appellante erkende dat zij vanaf 1 februari 2012 met W een gezamenlijke huishouding voerde, zodat de beoordeling zich richtte op de periode van 1 februari 2011 tot 1 februari 2012.
De Raad concludeerde dat uit verklaringen van appellante, buurtbewoners en politiegegevens voldoende feiten blijken waaruit blijkt dat W zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. De verbruiksgegevens van W's eigen adres en verklaringen van derden boden onvoldoende tegenbewijs. Daarom werd het beroep gegrond verklaard voor de periode van 22 september 2010 tot 1 februari 2011 en het besluit vernietigd en herroepen voor die periode.
De Raad veroordeelde het dagelijks bestuur tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het griffierecht. De uitspraak trad in de plaats van het vernietigde gedeelte van het eerdere besluit.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand over de periode 22 september 2010 tot 1 februari 2011 wordt vernietigd en herroepen wegens onvoldoende feitelijke grondslag.