ECLI:NL:CRVB:2016:610
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor laatst verrichte arbeid
Appellante was werkzaam als medewerker verzorging en meldde zich ziek met nek-, schouder- en rugklachten. Na medisch onderzoek door verzekeringsartsen werd zij per 21 mei 2012 geschikt geacht voor haar laatst verrichte arbeid. Het Uwv stelde daarop het recht op ziekengeld stop en verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellante dat haar klachten reëel waren en onvoldoende waren meegewogen door de artsen van het Uwv, onderbouwd met een brief van een reumatoloog.
De Raad oordeelde dat de medische beoordeling van het Uwv, inclusief het rapport van de bedrijfsarts, overtuigend en inzichtelijk was. De klachten waren aanwezig maar niet medisch aantoonbaar in die mate dat arbeidsongeschiktheid bestond. Ook de ingezonden brieven van revalidatieartsen bevestigden dit standpunt. De reumatoloog kon geen functiebeperking vaststellen op de relevante datum.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.