Appellante had de veronderstelling dat haar verzekering bij de National Health Service (NHS) in Groot-Brittannië voldeed aan de zorgverzekeringsplicht volgens de Nederlandse Zorgverzekeringswet (Zvw). Het Zorginstituut stelde echter vast dat deze verzekering niet voldeed aan de Nederlandse eisen en legde haar een boete op wegens het niet tijdig afsluiten van een zorgverzekering conform de Zvw.
De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij verplicht was een zorgverzekering in Nederland af te sluiten omdat zij ingezetene was en verzekerd voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Appellante stelde in hoger beroep dat het Zorginstituut in een eerder besluit een bijzondere omstandigheid had erkend en dat de NHS-verzekering voldoende dekking bood.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante onjuist handelde door te veronderstellen dat de NHS-verzekering voldeed. De verzekering was niet aangemeld bij het Zorginstituut zoals vereist en voldeed niet aan de regels van de Zvw. Ook was er geen aanleiding om de boete te matigen of niet op te leggen. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en de opgelegde boete.
De Raad wees tevens op het belang van het voldoen aan de wettelijke meldingsplicht en verzekeringsplicht en benadrukte dat de bijzondere omstandigheden die appellante aanvoerde onvoldoende waren om af te wijken van de boete. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.