Uitspraak
12 december 2014, 14/2573 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant had tot 25 juli 2012 bijstand ontvangen en diende op 16 december 2013 een nieuwe aanvraag in. Het college vroeg bankafschriften vanaf 27 mei 2013 op, maar appellant verstrekte deze niet volledig binnen de gestelde termijn. Het college stelde de aanvraag daarop buiten behandeling op grond van artikel 4:5 Awb Pro. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit in hoger beroep.
De Raad overweegt dat voor een goede beoordeling van de aanvraag de financiële situatie van appellant essentieel is. Omdat onduidelijk was hoe appellant na beëindiging van eerdere bijstand in zijn levensonderhoud voorzag, was het gerechtvaardigd om bankafschriften over een langere periode dan de gebruikelijke drie maanden op te vragen. Het ontbreken van deze gegevens maakte een goede beoordeling onmogelijk.
Appellant had redelijkerwijs de beschikking moeten hebben over de gevraagde bankafschriften en had bij een te korte termijn om verlenging kunnen verzoeken. De enkele stelling van een blokkering van de rekening was onvoldoende. De Raad concludeert dat het college terecht de aanvraag buiten behandeling heeft gesteld en bevestigt de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand is terecht buiten behandeling gesteld wegens het niet tijdig overleggen van bankafschriften.