ECLI:NL:CRVB:2016:636
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing hoger beroep tegen WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid
Appellant, geboren in 1959, was werkzaam als junior auditor en meldde zich in 2009 ziek wegens rugklachten. Een verzekeringsarts stelde beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant niet geschikt was voor zijn maatgevende arbeid, maar wel voor drie passende functies, wat resulteerde in een arbeidsongeschiktheid van 69%. Het UWV kende daarop een WIA-uitkering toe.
Appellant voerde bezwaar aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn beperkingen en stelde dat hij een medische afzakker was, omdat hij in 1994 zijn arbeidsduur om medische redenen had verminderd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt en onderbouwde dit met medische stukken, waaronder een rapport van een orthopedisch specialist.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de vermindering van zijn arbeidsduur in 1994 medisch noodzakelijk was, mede omdat er geen concrete aanwijzingen of adviezen van een bedrijfsarts waren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde overtuigend dat uit de medische gegevens uit 2009 niet kan worden afgeleid dat in 1994 sprake was van een medische noodzaak tot werkvermindering. Ook de beperking in de FML voor zitten werd als passend beoordeeld.
Gelet op deze overwegingen werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het verzoek tot vergoeding van schade werd eveneens afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.