ECLI:NL:CRVB:2016:644
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Weigering herziening besluit Wuv wegens onvoldoende causaal verband overlijden vader
Appellant, geboren in 1939, heeft meerdere verzoeken tot herziening ingediend op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), waarbij hij stelde dat zijn psychische klachten verband houden met het overlijden van zijn vader tijdens vervolging.
Na eerdere afwijzingen en een ongegrond verklaard beroep in 2013, diende appellant in 2014 opnieuw een verzoek in met een psychiaterrapport dat een sterk verband suggereerde tussen zijn klachten en het overlijden van zijn vader. Verweerder wees dit verzoek af op basis van een geneeskundig advies waarin werd geconcludeerd dat er slechts een zeer indirect verband bestaat.
De Raad toetste met terughoudendheid en concludeerde dat appellant onvoldoende nieuwe feiten had ingebracht die aanleiding gaven tot herziening. De Raad vond het indirecte verband onvoldoende om het besluit te herzien, mede omdat de opvoedingssituatie na het overlijden van de vader niet direct samenhangt met de vervolging.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering tot herziening van het Wuv-besluit wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van een voldoende causaal verband.