ECLI:NL:CRVB:2016:648
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wuv-aanvraag wegens ontbreken bewijs overlijden door vervolging vader
Appellante, geboren in 1934, verzocht op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) om gelijkstelling met een vervolgde vanwege het overlijden van haar vader tijdens de Japanse bezetting. Verweerder wees dit verzoek af omdat niet was vastgesteld dat haar vader door vervolging was omgekomen.
Appellante stelde dat de vader als oorlogsslachtoffer was erkend in het kader van een rehabilitatie-uitkering en dat familie-informatie aanleiding gaf om aan te nemen dat hij door vervolging was overleden. Verweerder stelde daartegenover dat uit beschikbare gegevens, waaronder dossiers van broers, bleek dat de vader in juli 1942 overleed aan ziekte, zonder bevestiging dat deze ziekte het gevolg was van mishandeling.
De Raad volgde verweerder en oordeelde dat het overlijden door vervolging niet was komen vast te staan. Hoewel appellante meldde dat haar vader kort voor verscheping naar Thailand wegens ernstige ziekte was vrijgelaten en een week later overleed aan een leveraandoening, ontbraken gegevens die mishandeling bevestigden. Het toekennen van een rehabilitatie-uitkering was onvoldoende om aan te nemen dat aan de Wuv-voorwaarden werd voldaan.
Verweerder had voldoende onderzoek verricht, waaronder raadpleging van relatiedossiers en informatie van het Nederlandse Rode Kruis en de Oorlogsgravenstichting. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat niet is komen vast te staan dat de vader van appellante door vervolging is omgekomen.