ECLI:NL:CRVB:2016:666
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende toegenomen beperkingen
Appellant, een voormalige wasserijmedewerker, vroeg om een WIA-uitkering wegens vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid na terugkeer van een hersentumor. Het UWV had dit verzoek afgewezen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de toename van beperkingen onvoldoende werd geacht.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door verzekeringsartsen en dat er geen aanwijzingen waren dat het oordeel onjuist was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat ook psychische klachten waren toegenomen en dat de geduide functies niet geschikt waren vanwege medicatie en fysieke beperkingen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de vermeende psychische klachten niet voldoende waren onderbouwd op de datum van 21 mei 2013. Ook achtte de Raad de geduide functies passend, gezien de beperkingen en medicatie van appellant. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende toegenomen beperkingen.