ECLI:NL:CRVB:2016:693
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor WAO-functies
Appellante ontving een WAO-uitkering die per 14 juni 2008 werd ingetrokken omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht en geschikt werd bevonden voor functies als receptionist, wikkelaar en productiemedewerker. Vervolgens ontving zij een WW-uitkering.
In 2013 meldde appellante zich ziek met klachten aan diverse lichaamsdelen. Een verzekeringsarts oordeelde dat zij geschikt was voor ten minste één van de WAO-functies, waarna het Uwv het recht op ziekengeld introk. Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar beperkingen, waaronder psychische klachten, onvoldoende waren meegewogen. Zij overlegde een brief van een psychiater en maatschappelijk werkster.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch oordeel juist was en voldoende gemotiveerd. De Raad bevestigt dit oordeel, wijst erop dat de klachten bekend waren en meegewogen, dat de concentratie-eisen beperkt zijn en appellante in staat wordt geacht deze functies te vervullen. De aanvullende brief bracht geen nieuwe inzichten die het oordeel konden wijzigen. Het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor WAO-functies.