ECLI:NL:CRVB:2016:725
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing scootmobiel en traplift, beperking hulp bij huishouden Wmo
Appellante, met chronisch pijnsyndroom en locomotore beperkingen, vroeg op grond van de Wmo om hulp bij het huishouden, een traplift en een scootmobiel. Het college wees deze verzoeken af op basis van medisch advies dat haar beperkingen niet zodanig waren dat zij aangewezen was op deze voorzieningen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het college het medisch advies terecht had gevolgd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten waren toegenomen en dat zij wel degelijk een scootmobiel en traplift nodig had, en dat de hulp bij het huishouden onterecht beperkt was. Zij stelde dat de rechtbank een onafhankelijk deskundige had moeten benoemen en dat het college de hardheidsclausule had moeten toepassen.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het medisch advies zorgvuldig was en dat appellante onvoldoende had onderbouwd dat zij recht had op de voorzieningen. De beperking van de hulp bij het huishouden was terecht gegeven vanwege het behandeltraject en het ontbreken van medische stukken die langdurige noodzaak aantonen. De traplift werd geweigerd omdat appellante was verhuisd naar een woning met trap en zij dit niet gemotiveerd had bestreden.
De Raad vond geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.