ECLI:NL:CRVB:2016:773
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid op datum in geding
Appellante verzocht om een WIA-uitkering, waarbij het UWV op 16 oktober 2012 vaststelde dat zij op 5 november 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op uitkering ontstond. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen bewijs was van slaapstoornissen op de datum in geding.
In hoger beroep stelde appellante dat het UWV ten onrechte geen urenbeperking had aangenomen vanwege slaapapneu, verwijzend naar een heronderzoek van november 2013 waarin een urenbeperking vanaf 16 januari 2013 werd vastgesteld. Het UWV overhandigde aanvullende rapporten en verzocht bevestiging van de eerdere uitspraak.
De Raad heropende het onderzoek wegens twijfel over de medische beoordeling, maar concludeerde dat op 5 november 2012 nog geen sprake was van slaapapneu en dat er geen reden was voor beperkingen vanwege slaapstoornissen. De klachten werden pas vanaf januari 2013 gemeld. De Raad onderschreef de medische grondslag van het bestreden besluit en bevestigde de aangevallen uitspraak van de rechtbank.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door R.E. Bakker, in aanwezigheid van griffier N. Veenstra.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante op 5 november 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op WIA-uitkering.