ECLI:NL:CRVB:2016:775
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag wezenuitkering voor kleinkind met levende vader
Appellant en zijn echtgenote zorgen voor hun kleindochter, wiens moeder in 2002 is overleden en wier vader nog in leven is en niet uit de ouderlijke macht is ontzet. Appellant ontving tot oktober 2013 een halfwezenuitkering en vroeg daarna een wezenuitkering aan, die door de Sociale verzekeringsbank (Svb) werd afgewezen omdat de vader nog leeft.
De rechtbank bevestigde deze afwijzing, stellende dat het begrip 'wees' in de Algemene nabestaandenwet (ANW) beperkt moet worden uitgelegd en alleen kinderen met overleden ouders of ouders die uit ouderlijke macht zijn ontzet recht hebben op een wezenuitkering.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de vader nooit gezag heeft uitgeoefend en dat er sprake is van discriminatie tussen een ouder die uit ouderlijke macht is ontzet en een ouder die nooit gezag had. De Raad oordeelde dat de wetstekst en eerdere jurisprudentie geen ruimte bieden voor een ruimere uitleg en dat de situatie van een ontzette ouder niet gelijkgesteld kan worden met een ouder die nooit gezag had, waardoor het beroep wordt afgewezen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat het kind niet als ouderloos kan worden aangemerkt zolang de vader nog leeft en niet uit ouderlijke macht is ontzet.