ECLI:NL:CRVB:2016:777
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking AOW-pensioen wegens detentie zonder specifieke bezwaren tegen aflossingscapaciteit
Appellant had op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) een ouderdomspensioen toegekend gekregen, dat per 1 november 2009 door de Sociale verzekeringsbank (Svb) werd ingetrokken vanwege detentie, gebaseerd op artikel 8b van de AOW. Dit leidde tot een terugvordering van het te veel betaalde pensioenbedrag.
In oktober 2013 stelde de Svb een terugvordering vast van €12.629,62, met een betalingsregeling waarbij maandelijks €10,78 werd verrekend met het toegekende pensioen. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd in januari 2014 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant opnieuw aan onterecht gedetineerd te zijn, wat een strafrechtelijke aangelegenheid betreft. De Raad oordeelde dat deze grieven buiten de reikwijdte van het bestuursrechtelijke geding vallen. De Svb bevestigde dat de aflossingscapaciteit van appellant recentelijk op nihil was vastgesteld. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde het bestreden besluit, waarbij geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van het AOW-pensioen wordt bevestigd.