ECLI:NL:CRVB:2016:796
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde activiteiten en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving bijstand sinds 2007 en werd onderzocht nadat onregelmatigheden werden geconstateerd op zijn bankafschriften en hij verklaarde dat zijn vriendin en dochter in Brussel wonen. Uit onderzoek bleek dat appellant sinds 2009 voorzitter was van een stichting en dat er aanzienlijke bedragen op zijn rekening werden bijgeschreven, deels afkomstig van bijstand. Het college trok de bijstand in en vorderde terugbetaling wegens schending van de inlichtingenplicht door het niet melden van zijn activiteiten en het ontbreken van een verifieerbare administratie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarop appellant hoger beroep instelde. De Raad bevestigde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door zijn werkzaamheden voor de stichting en het fungeren als tussenpersoon voor leningen niet te melden. Volgens vaste rechtspraak zijn dergelijke op geld waardeerbare activiteiten relevant voor de beoordeling van het recht op bijstand.
Omdat appellant geen deugdelijke administratie kon overleggen en onvoldoende inzicht gaf in zijn inkomsten en vermogenspositie, kon niet worden vastgesteld of hij recht had op bijstand. De stelling dat zijn vermogen het vrij te laten bedrag niet overschreed, was niet onderbouwd. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht en onvoldoende inzicht in inkomsten en vermogen.