Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:799

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 maart 2016
Publicatiedatum
8 maart 2016
Zaaknummer
14/6014 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek WAO-uitkering wegens onttrekking aan strafuitvoering

Appellant had een WAO-uitkering die door het UWV werd beëindigd per 31 augustus 2011 vanwege het feit dat hij zich zou hebben onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een straf. Na bezwaar en beroep werd het beroep kennelijk ongegrond verklaard en het verzet ongegrond verklaard. Appellant verzocht het UWV terug te komen op de besluiten, maar dit werd afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden (nova).

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond en oordeelde dat appellant op 23 november 2011 of kort daarna op de hoogte was van de reden van zijn detentie, ondanks dat hij niet over alle stukken van het CJIB beschikte. In hoger beroep stelde appellant dat hij niet over alle correspondentie beschikte en zich daarom niet kon verweren tegen het verwijt van onttrekking.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellant van 20 november 2010 tot 23 november 2011 in Suriname verbleef en dat de taakstraf was omgezet in vervangende hechtenis die hij na terugkeer op Schiphol heeft uitgezeten. De Raad bevestigde dat het beroep tegen de eerdere besluiten niet-ontvankelijk was en dat het verzoek om terug te komen op de besluiten terecht werd beoordeeld onder artikel 4:6 Awb Pro. Er waren geen nieuwe feiten en het UWV heeft het herzieningsverzoek terecht afgewezen. De vraag of appellant zich onttrok aan de strafuitvoering is niet meer aan de orde.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het herzieningsverzoek en handhaaft de beëindiging van de WAO-uitkering.

Uitspraak

14/6014 WAO
Datum uitspraak: 2 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
6 oktober 2014, 14/1919 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.N.R. Nasrullah, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Op verzoek van de Raad heeft appellant nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.M. Timmer, kantoorgenoot van mr. Nasrullah. Het Uwv is
- met bericht - niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluiten van 30 november 2011 heeft het Uwv de uitkering van appellant op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) beëindigd met ingang van
31 augustus 2011 en een bedrag van € 4.145,27 van appellant teruggevorderd. Aan die besluiten ligt ten grondslag dat appellant zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een straf.
1.2.
Bij besluit van 18 januari 2012 heeft verweerder de WAO-uitkering van appellant met ingang van 3 januari 2012 weer betaalbaar gesteld.
1.3.
Bij besluit van 10 juli 2012 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten 30 november 2011 en 18 januari 2012 niet-ontvankelijk verklaard. Het tegen het besluit van 10 juli 2012 ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 31 januari 2013 kennelijk ongegrond verklaard. Het tegen die uitspraak ingestelde verzet is door de rechtbank bij uitspraak van 8 augustus 2013 ongegrond verklaard.
1.4.
Appellant heeft het Uwv verzocht terug te komen op de besluiten van 30 november 2011 en 18 januari 2012. Bij besluit van 22 augustus 2013 heeft het Uwv dat verzoek afgewezen omdat er geen nova in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zouden zijn.
1.5.
Bij besluit van 24 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 22 augustus 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv overwogen dat appellant redelijkerwijs geacht moet worden op de hoogte te zijn van de correspondentie en de besluitvorming van het CJIB, die ten grondslag liggen aan de besluiten van 30 november 2011 en 18 januari 2012.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant op 23 november 2011 is aangehouden en vervolgens in detentie is genomen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat appellant door de autoriteiten op 23 november 2011 niet op de hoogte is gesteld van de reden van zijn detentie. Appellant had daarom zijn argumenten, die verband houden met die detentie kunnen aanvoeren in de bezwaarprocedures tegen de besluiten van 30 november 2011 en
18 januari 2012. Nu appellant thans geen andersoortige argumenten aanvoert heeft het Uwv terecht onder toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb de herzieningsverzoeken van appellant afgewezen.
3. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij tijdens zijn detentie wel wist waarom hij gedetineerd was, maar dat hij niet over alle CJIB-correspondentie beschikte, zodat hij zich niet kon verweren tegen het verwijt dat hij zich onttrokken zou hebben aan de tenuitvoerlegging van een straf.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Appellant is van 20 november 2010 tot 23 november 2011 in Suriname verbleven. Bij vonnis van 9 juni 2009 van de politierechter te Rotterdam is appellant bij verstek veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 80 uur. Aangezien de reclassering geen contact met appellant kon krijgen en appellant niet ingeschreven stond in de Gemeentelijke Basisadministratie is de taakstraf, rekeninghoudend met het voorarrest, eind augustus 2011 omgezet in 40 dagen vervangende hechtenis. De omzetting is niet in persoon aan appellant betekend, omdat geen actueel adres van appellant bekend was. Bij terugkeer uit Suriname op 23 november 2011 is appellant op Schiphol aangehouden en heeft hij aansluitend de vervangende hechtenis uitgezeten.
4.2.
Door de uitspraak van de rechtbank van 31 januari 2013 staat in rechte vast dat het beroep tegen de besluiten van 30 november 2011 en 18 januari 2012 niet-ontvankelijk is.
4.3.
Terecht heeft de rechtbank overwogen dat het verzoek van appellant om van die besluiten terug te komen beoordeeld dient te worden in het kader van artikel 4:6 van Pro de Awb. Het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in dat artikel wordt onderschreven. Niet aannemelijk is dat appellant niet op
23 november 2011 dan wel zeer kort daarna op de hoogte is gesteld van de reden van zijn detentie. Dat appellant op dat moment nog niet over alle CJIB-stukken beschikte doet daar niet aan af. Het Uwv heeft het herzieningsverzoek op goede gronden afgewezen. De vraag of appellant zich inderdaad heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een straf kan - wat daar verder ook van zij - nu niet meer aan de orde komen.
4.4.
De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en F.M.S. Requisizione en
R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2016.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) N. Veenstra

TM