ECLI:NL:CRVB:2016:823
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging arbeidsongeschiktheid en WGA-uitkering ondanks betwiste beperkingen
Appellant, een zelfstandig cementvloerenlegger, viel op 21 mei 2010 uit wegens knie- en later rugklachten en vroeg op 22 januari 2012 een WIA-uitkering aan. Het UWV kende hem een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 55-65%, later verhoogd naar 65-80% na bezwaar. De rechtbank oordeelde dat appellant beperkt was voor beroepsmatig autorijden en stelde het maatmaninkomen vast, maar handhaafde de mate van arbeidsongeschiktheid.
In hoger beroep betwist appellant de mate van beperkingen en stelt dat hij ook urenbeperkingen heeft en de geselecteerde functies niet kan vervullen. Hij onderbouwde dit met medische en arbeidsdeskundige rapporten. Het UWV verwees naar eigen verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten die de beperkingen en geschiktheid van functies bevestigen.
De Raad oordeelt dat de verzekeringsartsen de beperkingen zorgvuldig en met inachtneming van medische gegevens hebben vastgesteld. Er is geen objectief medisch bewijs voor verdere beperkingen of urenbeperking. De arbeidskundige rapporten tonen aan dat appellant de geselecteerde functies kan vervullen, mede met redelijke aanpassingen. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant wegens onvoldoende motivering in eerste aanleg. De Raad vergoedt tevens het griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; appellant heeft recht op een WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 65-80%.