ECLI:NL:CRVB:2016:830
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na ziekmelding
Appellante, voormalig magazijnmedewerker, meldde zich ziek en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op WIA-uitkering. Na meerdere ziekmeldingen en medische beoordelingen, waaronder psychische klachten, concludeerden verzekeringsartsen dat appellante geschikt was voor ten minste één van de geselecteerde functies.
De rechtbank wees het beroep van appellante af en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de medische standpunten van het UWV, ook niet over de psychische klachten. Appellante ontving wel ziekengeld voor een periode vanwege therapie, maar dit beïnvloedde de beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid niet.
Appellante verzocht om een onafhankelijke deskundige, maar de Raad zag hiervoor geen reden. De Raad concludeerde dat appellante geschikt is voor arbeid en dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.