ECLI:NL:CRVB:2016:831
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering studiefinanciering wegens niet-wonen op inschrijfadres
Appellante stond vanaf 2007 ingeschreven op een adres waar ook haar tante en familie woonden. Vanaf 2012 ontving zij studiefinanciering als uitwonende studente. In 2013 voerde de minister een huisbezoek uit om de woonsituatie te controleren. Op basis van het rapport en verklaringen werd geconcludeerd dat appellante niet op haar inschrijfadres woonde. De minister herzag de studiefinanciering en vorderde het te veel betaalde bedrag terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het huisbezoek zorgvuldig was uitgevoerd en het rapport voldoende feitelijke grondslag bood. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek gebrekkig was en dat de controleurs zich niet aan haar hadden geïntroduceerd, maar deze stellingen werden niet aannemelijk gemaakt.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat de bevindingen van het huisbezoek voldoende waren voor de herziening. Er was geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. De Raad vond de verklaringen van appellante en derden onvoldoende om het wettelijk vermoeden van niet-wonen te weerleggen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet op haar inschrijfadres woonde en wijst het hoger beroep af.