ECLI:NL:CRVB:2016:846

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 maart 2016
Publicatiedatum
10 maart 2016
Zaaknummer
15/6637 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 WuboArt. 6:11 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Wubo-uitkering wegens niet-naleving nationaliteitseis en termijnoverschrijding bezwaar

Appellante, geboren in 1944 in het toenmalig Nederlands-Indië, verzocht in 2001 en opnieuw in 2013 om een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Hoewel erkend werd dat zij getroffen was door oorlogsgeweld, werd haar aanvraag afgewezen vanwege het niet voldoen aan de eisen van nationaliteit en territorialiteit en het ontbreken van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld.

Na een afwijzing in 2014 diende appellante een bezwaarschrift in, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn van dertien weken. Appellante voerde persoonlijke omstandigheden aan, waaronder afwezigheid vanwege familiebezoeken en gezondheidsproblemen, maar de Raad oordeelde dat zij voldoende maatregelen had moeten treffen om tijdig bezwaar te maken.

De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was en bevestigde het bestreden besluit. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn zonder geldige reden.

Uitspraak

15/6637 WUBO
Datum uitspraak: 10 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] , Indonesië (appellante)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 2 juli 2015, kenmerk BZ01824540 (bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2016. Daar is appellante niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is geboren in 1944 in het toenmalig Nederlands-Indië. In juli 2001 heeft zij verzocht om toekenningen op grond van de Wubo. Bij besluit van verweerder van 19 maart 2002 is erkend dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. De aanvraag is echter afgewezen op de grond dat appellante niet voldeed aan de (destijds geldende) eisen van nationaliteit en territorialiteit. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 29 augustus 2002 ongegrond verklaard.
2.1.
In november 2013 heeft appellante opnieuw verzocht om toekenningen op grond van de Wubo. Bij besluit van 8 september 2014 heeft verweerder het op grond van zeer bijzondere omstandigheden van een klaarblijkelijke hardheid geacht om op grond van het niet beschikken van de Nederlandse nationaliteit de Wubo niet op haar van toepassing te verklaren. De aanvraag is echter afgewezen op de grond dat er bij appellante geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld. In dat verband is geoordeeld dat de lichamelijke en psychische klachten niet in verband staan met het door haar meegemaakte oorlogsgeweld, maar door andere oorzaken zijn ontstaan. Het besluit van 8 september 2014 is door de ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Jakarta op 25 september 2014 aan appellante verzonden.
2.2.
Appellante heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend, gedateerd 8 januari 2015 en door verweerder ontvangen op 22 januari 2015. Op de vraag van verweerder naar de reden van de termijnoverschrijding heeft appellante geantwoord dat zij (langere tijd) naar familie in Jombang moest om aan geld te kunnen komen. Zij is bij mensen gaan werken om te kunnen voorzien in het (dagelijks) onderhoud van haar gezin, zoals het betalen van licht en water. Toen haar echtgenoot naar Soerabaja ging om naar het huis te kijken was er een brief van de Wubo uit Nederland. Door de afwijzing is zij flauwgevallen, waarna zij enige tijd te zwak is geweest om naar huis te gaan. Bij terugkomst in Soerabaja heeft zij alsnog het bezwaarschrift geschreven, aldus appellante.
2.3.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat de bezwaartermijn van dertien weken is overschreden en dat appellante geen reden heeft aangevoerd die de termijnoverschrijding kan verontschuldigen.
3. In beroep herhaalt appellante dat zij gedwongen was naar Jombang te gaan om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De termijn voor het maken van bezwaar bedraagt op grond van artikel 56 van Pro de Wubo dertien weken. Op grond van de gedingstukken staat vast dat deze termijn is overschreden. Om deze reden dient niet-ontvankelijkheid te worden uitgesproken tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.2.
Het ligt op de weg van appellante om bij langdurige afwezigheid voldoende maatregelen te treffen om kennisneming en afhandeling van (belangrijke) poststukken tijdens haar afwezigheid mogelijk te maken en - zonodig met behulp van derden - zorg te dragen voor het tijdig (laten) indienen van een bezwaarschrift. Omdat de gedingstukken ook geen aanleiding geven voor een veronderstelling dat de bezorging van het besluit van 8 september 2014 niet adequaat is geweest, ziet de Raad geen reden om de termijnoverschrijding op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb verschoonbaar te achten. Verweerder heeft het bezwaar tegen het besluit van 8 september 2014 terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2016.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) M.S. Boomhouwer

HD