ECLI:NL:CRVB:2016:851
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ingangsdatum periodieke uitkering op grond van Wuv
Appellant, als tweede generatie vervolgingsslachtoffer, vroeg om een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Na eerdere afwijzing en bezwaar diende appellant in oktober 2013 een hernieuwde aanvraag in. Verweerder kende de uitkering toe met ingang van 1 oktober 2013, de eerste dag van de maand van de aanvraag.
Appellant stelde dat de uitkering reeds vanaf 2003, het moment van arbeidsongeschiktheid, had moeten ingaan. De Raad overwoog dat artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wuv dwingend voorschrijft dat de uitkering ingaat op de eerste dag van de maand van de aanvraag. Verweerder kan hiervan niet afwijken.
De Raad verwierp het verweer dat appellant niet op de hoogte was van de mogelijkheid om opnieuw een aanvraag te doen na eerdere afwijzing. Dit is voor rekening van appellant. Het bestreden besluit werd in stand gelaten en het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de uitkering blijft 1 oktober 2013.