Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:854

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 maart 2016
Publicatiedatum
10 maart 2016
Zaaknummer
15/3136 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Militaire wachtgeldregeling 1961Art. 9 Militaire wachtgeldregeling 1961
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering te veel genoten wachtgeld door minister van Defensie

Appellant, voormalig ambtenaar bij het ministerie van Defensie, ontving op grond van de Militaire wachtgeldregeling 1961 een wachtgelduitkering tot 2029. De minister stelde vast dat appellant over bepaalde perioden te veel wachtgeld had ontvangen vanwege inkomsten uit een eigen onderneming die verrekend moesten worden met de uitkering.

De minister vorderde terugbetaling van het te veel ontvangen bedrag, wat door appellant werd betwist met het argument dat de vordering verjaard zou zijn en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.

De Raad oordeelde dat de minister gerechtigd is tot terugvordering en dat de verjaringstermijn van twee jaar pas begon te lopen vanaf het moment dat de minister de benodigde gegevens ontving, namelijk begin 2014. Het besluit tot terugvordering van juni 2014 lag daarmee binnen de verjaringstermijn en is niet in strijd met rechtszekerheid. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de minister terecht het te veel ontvangen wachtgeld terugvordert en dat deze vordering niet is verjaard.

Uitspraak

15/3136 AW
Datum uitspraak: 10 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
24 maart 2015, 14/11163 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de minister van Defensie (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. drs. C.M.J.E.P. Meerts hoger beroep ingesteld.
Namens de minister heeft drs. J.H.M. van der Hulst, directeur van de uitvoeringsinstantie voor bovenwettelijke WW-uitkeringen WWplus, een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 28 januari 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant was werkzaam bij het ministerie van Defensie. Per 1 juli 2005 is hem eervol ontslag verleend. Bij besluit van 7 juli 2005 is hem op grond van de Militaire wachtgeldregeling 1961 (Regeling) een wachtgelduitkering toegekend tot 15 augustus 2029.
1.2.
Halverwege het jaar 2004 is appellant een eigen onderneming gestart. De inkomsten uit deze onderneming worden op grond van artikel 6 van Pro de Regeling verrekend met de wachtgelduitkering.
1.3.
Bij besluit van 27 mei 2014 heeft de minister vastgesteld dat appellant over de maanden januari 2007 tot en met december 2008 en januari 2010 tot en met december 2010 een bedrag van € 45.710,68 te veel aan wachtgeld heeft genoten. Dit bedrag is deels verrekend met de uitkering van de maand juni 2014.
1.4.
Bij besluit van 26 juni 2014 heeft de minister appellant meegedeeld dat nog een bedrag van € 43.516,92 aan te veel genoten wachtgeld wordt teruggevorderd.
1.5.
Bij besluit van 4 november 2014 (bestreden besluit) is het tegen het besluit van 26 juni 2014 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de minister in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel door zo lang na het betalen van het wachtgeld tot terugvordering ervan over te gaan. Volgens appellant is de vordering van de minister verjaard.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant te veel wachtgeld heeft ontvangen en dat de minister gerechtigd is het te veel betaalde bedrag terug te vorderen.
4.2.
Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Regeling wordt, kort gezegd, het wachtgeld verminderd met de inkomsten die betrokkene daarnaast geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, voor zover het totale bedrag van het wachtgeld en die inkomsten de laatstelijk genoten bezoldiging overschrijdt.
4.3.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Regeling dient de betrokkene terstond opgave te doen, voorzover mogelijk, van de inkomsten die hij uit hoofde van enige arbeid of bedrijf zal verwerven of, als deze niet vooraf zijn te bepalen, tijdig vóór het einde van elke betalingstermijn van het wachtgeld opgave te doen van de inkomsten die hij heeft genoten. Brengt de aard van de werkzaamheden mee, dat de inkomsten over een langere periode in beschouwing moeten worden genomen, dan dient de opgave over die langere periode te geschieden.
4.4.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de vordering van de minister op appellant niet in strijd is met de rechtszekerheid en niet is verjaard, en dat de minister tot terugvordering mocht overgaan.
4.5.
Het is vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 22 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3726, en 22 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1871) dat het bestuursorgaan in een situatie waarin de (gewezen) ambtenaar wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij te veel ontving, in beginsel hetgeen aan de ambtenaar onverschuldigd is betaald gedurende twee jaar na de dag van uitbetaling kan terugvorderen.
4.6.
Het is ook vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 18 september 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AL6198, en 5 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV0481) dat de termijn van twee jaar, waarbinnen het bestuursorgaan bevoegd is het te veel betaalde terug te vorderen, in een geval als dit gaat lopen met ingang van de dag na die waarop de benodigde gegevens zijn ontvangen door het bestuursorgaan, aangezien dit pas vanaf deze dag kan vaststellen of en hoeveel te veel is betaald en eerst dan tot terugvordering van het te veel betaalde kan overgaan. Appellant heeft de benodigde gegevens pas begin 2014 aan de minister toegezonden. De verjaringstermijn van twee jaar is daarom pas begin 2014 gaan lopen en het besluit tot terugvordering van 26 juni 2014 is dus (ruim) binnen de verjaringstermijn genomen.
4.7.
Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter, in tegenwoordigheid van
J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2016.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) J.L. Meijer

HD