Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:888

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 maart 2016
Publicatiedatum
11 maart 2016
Zaaknummer
13/2025 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoogte kostenvergoeding rechtsbijstand in bezwaarprocedures bij bijstandsverlening

Appellant had bijstand aangevraagd en kreeg aanvankelijk een voorschot, maar het college wees de aanvraag af vanwege onvoldoende informatie over een gezamenlijke huishouding. De rechtbank vernietigde deze besluiten en beval het college tot hernieuwde besluitvorming.

Het college kende vervolgens alsnog bijstand toe over de betwiste periode en vergoedde de kosten voor rechtsbijstand gedeeltelijk. Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van deze vergoeding.

De Raad oordeelt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat appellant geen belang meer heeft bij een oordeel over de oorspronkelijke uitspraak. De Raad beoordeelt wel de hoogte van de kostenvergoeding en stelt vast dat het college op juiste gronden één punt toekende voor de bezwaarprocedure waarin een vergoeding werd gevraagd en uit coulance één punt voor de andere procedure, waarmee appellant niet tekort is gedaan.

De Raad verklaart het beroep tegen het nader besluit ongegrond, veroordeelt het college in de proceskosten van appellant voor het hoger beroep en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de kostenvergoeding voor rechtsbijstand wordt bevestigd.

Uitspraak

13/2025 WWB, 13/2026 WWB
Datum uitspraak: 1 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
5 maart 2013, 12/3089 en 12/3090 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 29 mei 2013 een nieuw besluit genomen (nader besluit 1), welk besluit is gewijzigd bij besluit van 6 juni 2014
(nader besluit 2).
Partijen hebben over en weer gereageerd.
Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 1 december 2011 bijstand aangevraagd ingevolge de Wet werk en bijstand. De Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam heeft daarop een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 januari 2012.
1.2.
Bij besluit van 11 januari 2012 heeft het college aan appellant een voorschot van € 700,- verstrekt.
1.3.1.
Bij besluit van 27 januari 2012 (afwijzingsbesluit), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 mei 2012 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen.
1.3.2.
Bij besluit van 13 februari 2012 (terugvorderingsbesluit), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 mei 2012 (bestreden besluit 2), heeft het college het aan appellant verstrekte voorschot van € 700,- teruggevorderd.
1.3.3.
Aan de besluitvorming ligt het standpunt van het college ten grondslag dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over de gezamenlijke huishouding die hij met
A. Amrani (A) voert, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
1.4.
Het college heeft aan appellant met ingang van 27 februari 2012 bijstand toegekend.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Voorts heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het terugvorderingsbesluit herroepen. Hiertoe heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, overwogen dat uit de feiten en omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat appellant in de periode van 1 december 2011 tot en met 26 februari 2012 een gezamenlijke huishouding met A heeft gevoerd.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant is, kort gezegd, van mening dat hem vanaf 1 december 2011 volledige bijstand toekomt.
4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij nader besluit 1, zoals gewijzigd bij nader besluit 2, alsnog bijstand toegekend over de periode van 1 december 2011 tot en met 26 februari 2012 naar de voor appellant geldende norm en de door appellant in de bezwaarprocedures gemaakte kosten voor rechtsbijstand vergoed.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
Nu het college bij nader besluit 1 over de te beoordelen periode alsnog bijstand heeft toegekend naar de voor appellant geldende norm, is tegemoetgekomen aan het hoger beroep van appellant. Hieruit vloeit voort dat appellant geen belang meer heeft bij een oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
5.2.
Partijen zijn enkel nog verdeeld over de hoogte van de kostenvergoeding als gevolg van de door appellant gemaakte kosten voor rechtsbijstand in de bezwaarprocedures. Nader besluit 1, zoals gewijzigd bij nader besluit 2, wordt daarom op grond van het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in het geding in hoger beroep betrokken.
5.3.
Appellant heeft aangevoerd dat de toekenning van twee punten hem te laag voorkomt, gelet op de twee gevoerde bezwaarprocedures. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft in verweer op goede gronden uiteengezet dat in het bezwaarschrift, gericht tegen het afwijzingsbesluit, is verzocht om een kostenvergoeding en dat geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt in dat geval één punt toegekend. Het college heeft voorts op goede gronden uiteengezet dat in het bezwaarschrift, gericht tegen het terugvorderingsbesluit, niet om een kostenvergoeding is verzocht. In zoverre was het college geen kostenvergoeding verschuldigd. Echter, het college heeft - uit coulance - aanleiding gezien om toch één punt toe te kennen, omdat hij appellant niet heeft uitgenodigd voor een hoorzitting. Hieruit volgt dat appellant op dit punt zeker niet tekort is gedaan.
5.4.
Uit 5.3 volgt dat het beroep tegen nader besluit 1, zoals gewijzigd bij nader besluit 2, ongegrond is.
6. Nu het college appellant in hoger beroep tegemoet is gekomen, bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 496,- voor verleende rechtsbijstand voor de indiening van het hogerberoepschrift. Voor een veroordeling in de proceskosten in beroep tegen de nadere besluiten 1 en 2 bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit 29 mei 2013, zoals gewijzigd bij besluit van 6 juni
2014, ongegrond;
- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 496,-;
- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 118,-
vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2016.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) A. Stuut

HD