ECLI:NL:CRVB:2016:899

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 maart 2016
Publicatiedatum
14 maart 2016
Zaaknummer
15/3104 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WWBArt. 47a WWB
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ingangsdatum AIO-uitkering bij verwijtbare latere aanvraag

Appellante ontving vanaf 1 februari 2008 een onvolledig AOW-pensioen en een AIO-aanvulling. Na intrekking van de AIO-aanvulling per 10 november 2011 wegens verblijf buiten Nederland, diende zij op 3 februari 2014 een nieuwe aanvraag in. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende de AIO-aanvulling toe met ingang van deze datum, niet eerder.

Appellante stelde dat de toekenning per 20 december 2013 had moeten plaatsvinden, de datum waarop zij aanvullende gronden tegen de intrekking had ingediend. De Raad oordeelde dat deze gronden niet als een aanvraag konden worden beschouwd. De Svb had appellante immers verzocht een aanvraagformulier in te dienen, dat pas op 3 februari 2014 werd ontvangen.

Omdat appellante het formulier niet zo spoedig mogelijk na de melding had ingediend en geen geldige reden had gegeven voor de vertraging, mocht de Svb de AIO-aanvulling vanaf de datum van ontvangst van het formulier toekennen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De AIO-aanvulling wordt toegekend vanaf 3 februari 2014, de datum van de daadwerkelijke aanvraag.

Uitspraak

15/3104 WWB
Datum uitspraak: 8 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
31 maart 2015, 14/10551 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S.V. Hendriksen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2016. Namens appellante is verschenen mr. Hendriksen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek en mr. P. Stahl-de Bruin.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving met ingang van 1 februari 2008 van de Svb een onvolledig ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) als bedoeld in artikel 47a van de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2.
Bij besluit van 4 november 2013 heeft de Svb appellante bericht dat zij met ingang van 10 november 2011 geen recht meer heeft op een AIO-aanvulling, omdat zij vanaf dat moment buiten Nederland verblijft. De over de periode van november 2011 tot en met juni 2013 te veel ontvangen AIO-aanvulling dient appellante terug te betalen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit op bezwaar van 20 maart 2014 ongegrond verklaard. Appellante heeft hiertegen geen beroep ingesteld.
1.3.
De Svb heeft op 3 februari 2014 van appellante een aanvraag om een AIO-aanvulling ontvangen. Bij besluit van 3 april 2014 heeft de Svb appellante per 3 februari 2014 opnieuw een AIO-aanvulling toegekend. Bij besluit van 14 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar, dat zag op de ingangsdatum van de toekenning, ongegrond verklaard. De Svb heeft hieraan ten grondslag gelegd dat geen grond bestaat om de AIO-aanvulling vanaf een eerdere datum dan 3 februari 2014 te verlenen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ter zitting is het geschil beperkt tot de vraag of de Svb appellante met ingang van
20 december 2013 een AIO-aanvulling had moeten toekennen.
4.2.
In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag van de melding om bijstand aan te vragen, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat. Het tweede lid bepaalt voorts wanneer van een melding kan worden gesproken, terwijl het derde lid de mogelijkheid biedt om bij verwijtbaar latere indiening van de aanvraag, de aanvraagdatum als ingangsdatum te nemen.
4.3.
Appellante voert aan dat de AIO-aanvulling had moeten worden toegekend met ingang van 20 december 2014. Dat is de datum waarop zij aanvullende gronden heeft ingediend tegen het besluit van 4 november 2013. Appellante heeft daarin gesteld het niet eens te zijn met de intrekking, en de Svb heeft hierin kennelijk een aanvraag om een AIO-aanvulling gelezen.
4.4.
Anders dan appellante stelt, heeft de Svb in de bezwaargronden tegen het besluit van
4 november 2013 niet een aanvraag om een AIO-aanvulling gelezen. De Svb heeft daaruit wel afgeleid dat appellante opnieuw in aanmerking wilde komen voor een AIO-aanvulling. De gronden waren voor de Svb immers aanleiding om aan appellante op 3 januari 2014 een aanvraagformulier te sturen. De Svb heeft appellante verzocht om het ingevulde aanvraagformulier met de daarin gevraagde stukken voor 31 januari 2014 terug te sturen. Ervan uitgaande dat de Svb de naam, adres en woonplaats van appellante heeft geregistreerd, is met het in staat stellen een aanvraag in te dienen een melding tot stand gekomen. De Svb heeft het aanvraagformulier vervolgens pas op 3 februari 2014 van appellante ontvangen. Hieruit volgt - en gelet op het verhandelde ter zitting is niet in geschil - dat appellante niet zo spoedig mogelijk na de melding de aanvraag heeft ingediend. Appellante heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd waarom zij het aanvraagformulier niet voor 31 januari 2014 kon indienen, zodat haar een verwijt kan worden gemaakt van het feit dat zij het aanvraagformulier niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend nadat zij zich had gemeld. Ter zitting is zijdens appellante naar voren gebracht dat het gelet hierop formeel weliswaar juist is dat haar pas per 3 februari 2014 een AIO-aanvulling is toegekend, maar dat meten met de menselijke maat meebrengt dat dit per een eerder tijdstip had gemoeten, omdat zij al veel langer weer in Nederland woont. Appellante gaat er daarmee echter aan voorbij dat het op haar weg lag zich dan eerder te melden, om daarna zo spoedig mogelijk een aanvraag te doen. Dit heeft zij niet gedaan en haar kan daarvan een verwijt worden gemaakt. De Svb heeft gelet hierop en gelet op het bepaalde in artikel 44, derde lid, van de WWB, in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik kunnen maken om de AIO-aanvulling met ingang van 3 februari 2014, de dag waarop appellante het aanvraagformulier heeft ingediend, toe te kennen.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2016.
(getekend) P.W. Straalen
(getekend) M. Zwart

HD