ECLI:NL:CRVB:2016:912
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- G. van Zeben-de Vries
- P. Vrolijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering en vergoeding schending redelijke termijn
Appellant vroeg op grond van de Wet Wajong een uitkering aan, welke door het UWV werd geweigerd omdat hij volgens verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek in staat was meer dan 75% van het minimumloon te verdienen sinds zijn zeventiende levensjaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat appellant gedurende een substantiële periode als cameratoezichthouder heeft gewerkt en naar behoren functioneerde. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn medische situatie niet correct was ingeschat en dat hij structurele begeleiding nodig had, maar kon dit niet met objectieve medische gegevens onderbouwen.
De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten de weigering van de uitkering rechtvaardigen en dat het UWV de vraag of appellant als jonggehandicapte moet worden aangemerkt in het midden mag laten. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, waardoor de Staat werd veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €1.000.
Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht van appellant. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De weigering van de Wajong-uitkering wordt bevestigd en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.