ECLI:NL:CRVB:2016:922
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- H. van Leeuwen
- L. Koper
- Rechtspraak.nl
Geen recht op IVA-uitkering wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als adviseur en meldde zich in mei 2004 ziek met psychische klachten. Na pogingen tot re-integratie viel zij in juni 2006 volledig uit met ernstige vermoeidheidsklachten. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid van 57% vast, die na bezwaar werd verhoogd naar 80-100% op basis van medische en arbeidsdeskundige rapporten.
In 2013 meldde appellante een verslechtering van haar gezondheid en stelde dat haar volledige arbeidsongeschiktheid duurzaam was geworden, waardoor zij recht zou hebben op een IVA-uitkering. Het UWV stelde na verzekeringsgeneeskundig onderzoek vast dat er geen medische objectivering was voor een toename van beperkingen en dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was, mede omdat zij geen adequate behandeling had gevolgd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de verzekeringsartsen zich onvoldoende individueel hadden verdiept in haar situatie en dat CGT niet voor iedere CVS-patiënt geschikt is. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat de inschatting van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd was op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit dat appellante geen recht heeft op een IVA-uitkering wordt bevestigd.