ECLI:NL:CRVB:2016:994

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 maart 2016
Publicatiedatum
18 maart 2016
Zaaknummer
15/256 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16, tweede lid, AOWArt. 11 Wet algemene bepalingen
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering partnertoeslag met meer dan één jaar terugwerkende kracht

Appellante, geboren in 1942, woont samen met haar zus. Op grond van de AOW werd haar vanaf maart 2007 een ouderdomspensioen toegekend naar de norm voor een gehuwde, zonder partnertoeslag vanwege de inkomsten van haar zus. Vanaf februari 2014 kreeg ook haar zus een ouderdomspensioen naar gehuwdennorm.

In februari 2014 vroeg appellante om een partnertoeslag over de periode november 2008 tot en met januari 2014, omdat haar zus weinig of geen inkomsten had. De Sociale Verzekeringsbank kende een toeslag toe over februari 2013 tot en met januari 2014, maar niet voor de periode daarvoor. Appellante maakte bezwaar tegen deze beperkte terugwerkende kracht, maar dit werd ongegrond verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de weigering een onevenredig zware sanctie vormde, mede vanwege haar gezondheidsproblemen. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat geen sprake was van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 16, tweede lid, AOW. De weigering is geen punitieve sanctie, zodat een evenredigheidstoets niet aan de orde is.

De Raad benadrukte dat de rechter niet bevoegd is om de billijkheid van de wet te toetsen. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van partnertoeslag met meer dan één jaar terugwerkende kracht wordt bevestigd.

Uitspraak

15/256 AOW
Datum uitspraak: 11 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
11 december 2014, 14/1953 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft haar standpunt schriftelijk nader toegelicht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2016. Appellante is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is geboren [in] 1942. Zij woont samen met haar op [in] 1948 geboren zus. Bij besluit van 25 oktober 2006 is op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) aan appellante met ingang van maart 2007 een ouderdomspensioen naar de norm voor een gehuwde toegekend. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellante in verband met de inkomsten van haar zus vooralsnog niet in aanmerking komt voor een partnertoeslag.
1.2.
Bij besluit van 18 juni 2013 is op grond van de AOW aan de zus van appellante met ingang van februari 2014 eveneens een ouderdomspensioen naar de norm voor een gehuwde toegekend.
1.3.
In februari 2014 is de Svb verzocht om appellante over november 2008 tot en met januari 2014 een partnertoeslag toe te kennen, omdat haar zus vanaf november 2008 geen of weinig inkomsten heeft genoten.
1.4.
Deze aanvraag is bij besluit van 21 februari 2014 door de Svb gehonoreerd, in die zin dat over februari 2013 tot en met januari 2014 aan appellante een partnertoeslag is toegekend van in totaal € 6.837,71. Over november 2008 tot en met januari 2013 is aan appellante geen partnertoeslag toegekend.
1.5.
Appellante heeft tegen het besluit van 21 februari 2014 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 2 mei 2014 (bestreden besluit) door de Svb ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat er geen sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 16, tweede lid, van de AOW.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de weigering om haar met meer dan één jaar terugwerkende kracht een partnertoeslag toe te kennen, is aan te merken als een onevenredig zware sanctie. Daarbij heeft appellante gewezen op de gezondheidsproblemen waarmee zij kampt.
4.1.
De Raad oordeelt als volgt.
4.2.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel berust. Van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de AOW is niet gebleken. De weigering om appellante met meer dan één jaar terugwerkende kracht een partnertoeslag toe te kennen is niet aan te merken als een punitieve sanctie. Een evenredigheidstoetsing is daarom niet aan de orde. Voor zover appellante met de stelling dat haar een onevenredig zware sanctie is opgelegd te kennen heeft willen geven dat artikel 16, tweede lid, van de AOW onbillijk is, wordt opgemerkt dat het de rechter ingevolge artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen niet vrij staat om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen.
4.3.
Uit punt 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellante faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2016.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) G.J. van Gendt

NK