ECLI:NL:CRVB:2017:1061
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Uit onderzoek van sociaal rechercheurs bleek dat appellant gedurende de periode van 1 november 2014 tot en met 13 mei 2015 vrijwel dagelijks aanwezig was bij een autobedrijf en op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte, waaronder het repareren van een auto en het beheren van toegang tot een garageloods.
Het college van burgemeester en wethouders van Groningen trok de bijstand met ingang van 1 november 2014 in en vorderde de ten onrechte ontvangen bijstand terug, omdat appellanten de inlichtingenverplichting hadden geschonden door deze werkzaamheden niet te melden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de aanwezigheid op de werkplek tijdens reguliere uren het verrichten van werkzaamheden veronderstelt, en dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat er geen sprake was van op geld waardeerbare arbeid. Tevens konden appellanten niet duidelijk maken hoe omvangrijk de werkzaamheden waren, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Daarom was het college gehouden de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter G.M.G. Hink op 14 maart 2017.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd wegens niet gemelde werkzaamheden.