Uitspraak
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, sinds 1979 werkzaam bij de politie, was vanaf 1 januari 2009 tijdelijk geplaatst op een specifieke functie. De korpschef stelde op 31 januari 2014 de feitelijke taakstelling van appellant vast, waarop de uitgangspositie voor omzetting naar het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) per 31 december 2009 werd gebaseerd.
Op 16 oktober 2014 besloot de korpschef tot toekenning van de LFNP-functie Bedrijfsvoeringspecialist B, salarisschaal 10, en verklaarde het bezwaar van appellant tegen dit besluit bij besluit van 22 mei 2015 ongegrond. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond.
Appellant voerde aan dat de matching niet overeenkomstig de Regeling LFNP was geschied en dat zijn functie in een ander domein ingedeeld had moeten worden. De Raad oordeelde dat de matching juist op basis van de feitelijke taakstelling was uitgevoerd en dat het domein Ondersteuning terecht was gekozen. Tevens werd het beroep op de hardheidsclausule en het gelijkheidsbeginsel verworpen, omdat geen sprake was van een gelijk geval of onbillijkheid van overwegende aard.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de omzetting naar de LFNP-functie correct is vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.