Uitspraak
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en huurde een woning waarvoor hij bijzondere bijstand voor woninginrichting aanvroeg. Het college kende deze bijstand toe als lening vanwege het onvoldoende besef van verantwoordelijkheid van appellant voor zijn bestaanskosten. Appellant had grote bedragen opgenomen voor het levensonderhoud van zijn vrouw en kind in Egypte en voor zijn eigen vakantie, terwijl hij deze gelden had kunnen reserveren voor woninginrichting.
Het college wijzigde het toegekende bedrag meerdere malen en verleende uiteindelijk een lening van € 5.339,-. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de proceskostenvergoeding onjuist was vastgesteld en dat hij wel degelijk recht had op het bedrag zonder lening vanwege het recht op vakantie.
De Raad oordeelde dat de proceskostenvergoeding hoger moest worden vastgesteld omdat er meerdere proceshandelingen waren. De inhoudelijke klacht over het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid faalde omdat de kosten voor derden in het buitenland niet op de bijstand mochten worden afgewenteld en appellant bewust had gekozen om geld niet te reserveren voor woninginrichting.
De Raad vernietigde het deel van de uitspraak over de proceskostenvergoeding, bevestigde de rest van het vonnis en veroordeelde het college tot betaling van proceskosten aan appellant. Tevens werd het griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: De bijzondere bijstand voor woninginrichting wordt toegekend als lening vanwege onvoldoende reservering, maar de proceskostenvergoeding wordt verhoogd en het griffierecht vergoed.