ECLI:NL:CRVB:2017:1164
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag kinderbijslag wegens ontbreken bijzonder geval voor terugwerkende kracht
Appellant, woonachtig in Marokko en sinds 1983 WAO-uitkeringsgerechtigde, vroeg kinderbijslag aan voor vier minderjarige kinderen. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag in 2009 af omdat appellant geen aanspraak had over het vierde kwartaal van 1999. Een nieuwe aanvraag in 2014 werd eveneens afgewezen met terugwerkende kracht beperkt tot één jaar, omdat geen sprake was van een bijzonder geval.
De rechtbank oordeelde dat de aanvraag voor het vierde kwartaal van 2009 een herhaalde aanvraag was en dat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een inhoudelijke toetsing rechtvaardigden. Ook werd bevestigd dat het arrest van de Hoge Raad uit 2011 geen nieuw feit was dat aanleiding gaf tot een bijzonder geval.
In hoger beroep stelde appellant dat wel sprake was van een bijzonder geval en dat de kinderbijslag met een langere terugwerkende kracht moest worden toegekend. De Raad oordeelde dat de aanvraag te laat was ingediend, bijna drie jaar na de jurisprudentie-omslag, en dat het beleid van de Svb om alleen binnen een jaar na bekendmaking van het arrest een bijzonder geval aan te nemen, niet onjuist was.
De Raad concludeerde dat de aanvraag uit 2009 niet als veiligstelling van het recht kon worden gezien, omdat appellant toen geen rechtsmiddelen had aangewend. Daarom was er geen grond voor een terugwerkende kracht langer dan één jaar en werd het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aanvraag kinderbijslag met terugwerkende kracht langer dan één jaar wordt niet toegekend.