Uitspraak
16.4926 PW
.Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Yaman.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en verhuisde op 6 augustus 2015 naar een nieuwe woning. Hij vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van borg, eerste huur en woninginrichting. Het college wees deze aanvragen af omdat de kosten al waren gemaakt voor de aanvraag en niet voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij door schulden en beslag op zijn bijstand niet had kunnen reserveren voor de kosten en dat de verhuizing onverwacht was vanwege de toepassing van de kostendelersnorm.
De Raad oordeelde dat de kosten van borg en eerste huur niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen als deze al voor de aanvraag zijn betaald. De woninginrichtingskosten zijn incidentele noodzakelijke kosten die in principe uit een bijstandsniveau inkomen moeten worden betaald. Appellant maakte niet aannemelijk dat de verhuizing onverwacht was of dat de toepassing van de kostendelersnorm de enige reden was voor verhuizing. Ook schulden en betalingsregelingen vormen geen bijzondere omstandigheden voor bijzondere bijstand.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor borg, eerste huur en woninginrichting.