ECLI:NL:CRVB:2017:1308

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 april 2017
Publicatiedatum
6 april 2017
Zaaknummer
15/6314 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging WGA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellant ontving vanaf 1 oktober 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, maar het UWV besloot deze uitkering te beëindigen per 30 november 2014 en over te gaan op een WGA-vervolguitkering. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna het UWV bij beslissing op bezwaar van 17 maart 2015 het eerdere besluit herroept en bepaalt dat appellant vanaf 18 mei 2015 geen recht meer heeft op een WGA-uitkering.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig was, inclusief eigen onderzoek en informatie van de huisarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep vormde een eigen oordeel over de beperkingen, vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 maart 2015, welke niet onderschat bleek. De geselecteerde functies waren passend en het UWV handelde niet in strijd met het beginsel van reformatio in peius.

In hoger beroep voerde appellant opnieuw aan dat zijn beperkingen werden onderschat en hij de functies niet kon vervullen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank, bevestigde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd afweek van de primaire arts, en concludeerde dat de medische gegevens van diverse specialisten geen aanleiding geven tot zwaardere beperkingen. De arbeidsdeskundige motiveerde dat appellant de functies kan vervullen en de mate van arbeidsongeschiktheid blijft onder 35%.

Het hoger beroep slaagde niet en de Centrale Raad van Beroep bevestigde de aangevallen uitspraak. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op een WGA-uitkering vanaf 18 mei 2015.

Uitspraak

15/6314 WIA
Datum uitspraak: 5 april 2017
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
4 september 2015, 15/1220 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Ruijs hoger beroep ingesteld.
De gronden van het hoger beroep zijn ingediend door J.P.J. Fransen.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Namens appellant heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat, nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bouts. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.
Aan appellant is met ingang van 1 oktober 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 36,38%.
1.2.
Bij besluit van 26 augustus 2014 heeft het Uwv aan appellant bericht dat zijn loongerelateerde WGA-uitkering eindigt op 30 november 2014 en dat appellant vanaf die datum recht heeft op een WGA-vervolguitkering op grond van de Wet WIA.
1.3.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 augustus 2014. Bij beslissing op bezwaar van 17 maart 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 26 augustus 2014 herroepen, en beslist dat appellant vanaf
18 mei 2015 geen recht meer heeft op een WGA-uitkering. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 maart 2015 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 13 maart 2015 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het door de verzekeringsarts bezwaar en beroep verrichte onderzoek voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Er is eigen onderzoek verricht en er is informatie bij de huisarts ingewonnen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is niet verplicht de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde beperkingen te volgen. Hij kan zijn eigen oordeel vormen over de beperkingen, zoals die zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlist (FML) van 10 maart 2015. Appellant heeft niet aangetoond dat met die FML zijn beperkingen zijn onderschat. Uitgaande van die FML is er geen grond voor het oordeel dat de voor appellant geselecteerde functies niet geschikt zouden zijn. Het Uwv heeft niet gehandeld in strijd met het beginsel van reformatio in peius, nu appellant niet in een slechtere positie is gebracht dan hij zou zijn geweest indien hij geen bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 26 augustus 2014. De uitkering van appellant is namelijk met een uitlooptermijn van twee maanden (na het bestreden besluit) ingetrokken.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant wederom aangevoerd dat zijn beperkingen door het Uwv zijn onderschat en dat hij de geselecteerde functies niet kan vervullen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4.1.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2.
Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid worden onderschreven. Het staat een verzekeringsarts bezwaar en beroep vrij het standpunt van de primaire verzekeringsarts te heroverwegen. In het rapport van
9 maart 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook gemotiveerd waarom hij is afgeweken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. Ter beoordeling staat dan ook de belastbaarheid van appellant zoals vastgelegd in de FML van 10 maart 2015. Bij het opstellen van die FML beschikte de verzekeringsarts bezwaar en beroep over informatie van de huisarts, die tevens informatie bevatte van de behandelend reumatoloog en orthopeed. Uit de beschikbare medische gegevens blijkt niet dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. De orthopedisch chirurg H.J. Noten concludeert op 11 mei 2015 dat er sprake is van een volledig normale schouderfunctie, waarbij wel pijn wordt aangegeven, en op 26 januari 2017 dat er geen sprake is van uitgesproken afwijkingen. De neurochirurg S. Rooker heeft appellant op 11 december 2015 en 17 november 2015 gezien, en kan geen goede verklaring vinden voor de pijnklachten. Wel kan met zekerheid gesteld worden dat er geen operatieve indicatie is. Reumatoloog E.J.A. Kroot constateert een milde polyartrose, maar geen chronisch inflammatoir gewrichtslijden. Uit deze informatie van de behandelaars van appellant kan niet worden opgemaakt dat er op de datum in geding zwaardere beperkingen dienen te worden aangenomen. Evenmin geven de gedingstukken aanleiding voor een nadere expertise.
4.3.
Uitgaande van de FML van 10 maart 2015 is in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 13 maart 2015 voldoende gemotiveerd dat appellant in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te vervullen. In hoger beroep heeft nog een actualisatie van die functies plaatsgevonden. Dit heeft echter niet geleid tot een mate van arbeidsongeschiktheid van meer dan 35%.
4.4.
Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en F.M.S. Requisizione en
Ch. van Voorst als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 april 2017.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) N. van Rooijen

NW