ECLI:NL:CRVB:2017:1319
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van Wuv- en Wubo-aanvragen wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellant, geboren in december 1944 uit een gemengd huwelijk met een Joodse moeder, verzocht om uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers (Wuv) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers (Wubo). Verweerder wees beide aanvragen af omdat niet was aangetoond dat appellant onderduik had gehad of was getroffen door oorlogsgeweld zoals bedoeld in de Wubo.
De Raad stelde vast dat alleen gebeurtenissen tussen de geboorte van appellant en de bevrijding in mei 1945 relevant zijn. Er was geen bewijs dat appellant vervolging had ondergaan of ondergedoken was, mede omdat zijn geboorte was geregistreerd bij de burgerlijke stand. Ook het beroep op gelijkstelling met vervolgden werd verworpen omdat de omstandigheden van appellant niet uitzonderlijk ongunstig waren.
Voor de Wubo-aanvraag was eveneens geen sprake van oorlogsgeweld of onderduik. Ondanks de inspanningen van appellant om informatie over zijn moeder te verkrijgen, was deze informatie niet relevant voor de beoordeling. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de Wuv- en Wubo-aanvragen worden ongegrond verklaard.