Uitspraak
17.3627 WUV, 17/3628 WUBO
OVERWEGINGEN
-1945 door of namens de Nederland bezettende macht werd gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof of wereldbeschouwing en welke heeft geleid tot:
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1942 in Zwitserland, diende aanvragen in op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Hij stelde dat hij met zijn ouders in Zwitserse interneringskampen verbleef en later ondergedoken was in Amsterdam.
Verweerder wees de aanvragen af omdat het verblijf in Zwitserland niet als vervolging werd beschouwd en de onderduik in Amsterdam niet voldoende aannemelijk was gemaakt. Ook was geen sprake van oorlogsgeweld zoals bedoeld in de Wubo. De Raad bevestigde dat een ongeboren vrucht niet als vervolgde kan worden aangemerkt en dat de omstandigheden van de moeder niet relevant zijn.
De Raad oordeelde dat de sociaal rapporten uit 1976 en andere gegevens geen bewijs leveren voor de gestelde onderduik. De gelijkstelling met vervolgden wegens vergelijkbare omstandigheden werd afgewezen omdat appellant in Zwitserland verbleef en niet aan de criteria voldeed. Ook de tweede-generatieproblematiek biedt geen grond voor gelijkstelling.
De beroepen tegen de afwijzingen van de Wuv- en Wubo-aanvragen werden ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de Wuv- en Wubo-aanvragen worden ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van onderduik en oorlogsgeweld.