ECLI:NL:CRVB:2017:1343
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, wiens echtgenoot in 1996 overleed, ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). In 2013 verzocht zij om voortzetting van deze uitkering na de 18e verjaardag van haar jongste kind, stellende dat zij ten minste 45% arbeidsongeschikt was. De Sociale verzekeringsbank (Svb) besloot aanvankelijk de uitkering voort te zetten, maar na een herbeoordeling door het UWV in 2014 werd geconcludeerd dat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt was, waarna de uitkering werd beëindigd.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat haar medische beperkingen werden onderschat. Na aanvullend onderzoek en rapportages van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen werd het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het besluit voldoende medisch en arbeidskundig was onderbouwd.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen over diverse gezondheidsklachten, waaronder diabetes en hartproblemen, maar leverde geen nieuwe medische stukken die de ernst van haar beperkingen op de datum in geding onderbouwden. De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten toereikend waren en dat de beëindiging van de uitkering terecht was. Ook werd geen aanleiding gezien voor nader medisch onderzoek naar psychische klachten die pas na de datum in geding waren vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De nabestaandenuitkering van appellante wordt per 1 augustus 2014 beëindigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.