ECLI:NL:CRVB:2017:138
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- P. Vrolijk
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van geen recht op WIA-uitkering ondanks psychische klachten en beperkingen
Appellante, een administratief medewerkster, viel uit op 24 augustus 2010 door psychische klachten. Het UWV stelde op 11 juli 2012 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Het bezwaar van appellante werd op 2 april 2013 ongegrond verklaard met wijziging van de datum waarop geen recht op uitkering bestond.
De rechtbank onderschreef de medische grondslag en de passende functies die aan appellante waren voorgehouden, maar vernietigde het besluit vanwege een onvoldoende gemotiveerde aanvulling tijdens de beroepsprocedure, waarbij de rechtsgevolgen in stand bleven. In hoger beroep betoogde appellante dat onvoldoende rekening was gehouden met haar klachten, waaronder slaapproblemen en vermoeidheid, en dat de voorgehouden functies niet passend waren.
De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. De arbeidsdeskundige bevestigde dat het opvangen van aanvallen van draaiduizeligheid mogelijk was binnen de functies. Een door de Raad benoemde KNO-arts concludeerde dat lichte aanvallen in zittende houding kunnen worden opgevangen, terwijl bij zware aanvallen liggend herstel redelijk is. De Raad vond de medische en arbeidskundige onderbouwing voldoende en wees de stelling van appellante dat zij niet aan de opleidingseis van een functie voldeed af.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak met verbeterde motivering en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante wegens het pas in hoger beroep toereikend motiveren van het besluit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering en veroordeelt het UWV in de proceskosten.