ECLI:NL:CRVB:2017:1386
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijzondere bijstand voor schulden bij zeer dringende redenen
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en vroeg bijzondere bijstand aan voor een lening tot €10.000 voor schuldenaflossing. Het college wees dit af, behalve een deel van €3.282,25 wegens zeer dringende redenen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat ook voor het resterende bedrag van €6.717,75 bijzondere bijstand moest worden verleend vanwege zijn slechte financiële situatie en dreigende gijzeling. Tevens voerde hij aan dat het college schuldhulpverlening belemmerde en deed een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
De Raad oordeelde dat artikel 13 PW Pro in beginsel bijstandsverlening voor schulden uitsluit wanneer middelen aanwezig zijn om in noodzakelijke kosten te voorzien. Artikel 49 PW Pro biedt een uitzondering bij zeer dringende redenen, die appellant onvoldoende aannemelijk maakte. De eerdere toekenning was gebaseerd op een specifieke acute situatie die niet op het resterende bedrag van toepassing was. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde wegens onvoldoende onderbouwing.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor het restant van schulden wegens het ontbreken van zeer dringende redenen.