ECLI:NL:CRVB:2017:141
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- E.C.R. Schut
- F. Hoogendijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding
Betrokkene vroeg herziening van zijn AOW-pensioen van gehuwden naar alleenstaande met ingang van 1 januari 2015, stellende dat hij en zijn partner M geen gezamenlijke huishouding meer voeren. Appellant, de Sociale verzekeringsbank, wees dit af omdat betrokkene en M op hetzelfde adres verbleven en daarmee het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding gold.
De rechtbank had het besluit van appellant vernietigd omdat zij vond dat appellant onvoldoende onderzoek had gedaan naar de feitelijke situatie, mede omdat M tijdelijk was vertrokken en een urgentieverklaring had ontvangen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat op 1 januari 2015 M nog steeds haar hoofdverblijf had op hetzelfde adres als betrokkene, ondanks haar tijdelijk verblijf elders.
De Raad bevestigde dat het feitelijke gezamenlijke hoofdverblijf doorslaggevend is en dat de reden van het tijdelijke verblijf van M elders niet relevant is. Daarmee blijft het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding van toepassing en is de afwijzing van de herziening terecht. Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de herziening van het AOW-pensioen blijft in stand.