ECLI:NL:CRVB:2017:1430
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens ontbreken objectieve medische beperkingen
Appellante, voormalig administratief medewerker, meldde zich ziek met rug- en bekkenklachten en ontving diverse uitkeringen. Na een periode van ziekte werd zij per 31 oktober 2014 door het UWV geschikt geacht voor haar maatgevende arbeid en verloor zij het recht op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit werd ongegrond verklaard door het UWV en later ook door de rechtbank Rotterdam.
In hoger beroep stelde appellante dat zij door chronische coccygodynie en coping problematiek slechts 15 tot 30 minuten kon zitten en daarna moest rusten. Zij onderbouwde dit met medische behandelingen en rapporten, waaronder van een anesthesioloog-pijnspecialist. Het UWV betwistte de medische onderbouwing en stelde dat er geen objectieve aanwijzingen waren voor de beperkingen die appellante claimde.
De Raad oordeelde dat er geen objectieve medische verklaring is voor de subjectieve pijnklachten van appellante en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst voldoende tegemoetkomen aan haar klachten. Diverse medische rapporten toonden geen afwijkingen die de klachten konden verklaren. De Raad volgde het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante met een speciaal kussen langer kan zitten dan zij stelt.
Daarom is het besluit van het UWV om het recht op ziekengeld te beëindigen terecht en wordt het hoger beroep ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om het recht op ziekengeld te beëindigen wordt bevestigd.