ECLI:NL:CRVB:2017:1443
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante viel sinds december 2011 uit voor haar werk als administratief medewerker. Het UWV kende haar vanaf maart 2014 een WIA-uitkering toe op basis van 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2015 stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg en beëindigde de uitkering per 1 oktober 2015.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beëindiging ongegrond, onderbouwd met een zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij door een angststoornis niet kan werken en verzocht om benoeming van een deskundige.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts concludeerde dat de diagnose sociale fobie niet langer werd gesteld en dat appellante medisch gezien begeleid kan worden door anderen dan haar partner. De arbeidsdeskundige gaf aan dat appellante de geselecteerde functies kan vervullen, mits rekening wordt gehouden met haar PTSS-klachten.
De Raad zag geen aanleiding voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.