ECLI:NL:CRVB:2017:1455
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Buiten behandeling laten van bijstandsaanvraag wegens ontbreken bankafschriften
Appellant, die eerder bijstand ontving, diende op 11 december 2014 een nieuwe bijstandsaanvraag in. Het college verzocht hem meerdere malen om bankafschriften over de laatste maanden te overleggen, waaronder de periode van drie maanden voorafgaand aan de aanvraag. Hoewel appellant bankafschriften over oktober en november 2014 aanleverde, ontbraken de afschriften over september 2014.
Het college stelde de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de ontbrekende bankafschriften noodzakelijk waren voor een goede beoordeling van het recht op bijstand. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, wat in hoger beroep werd bevestigd.
Appellant voerde aan dat het ontbreken van de september-afschriften niet relevant was en dat zijn gezondheid hem belemmerde om tijdig te reageren. Deze gronden werden verworpen, mede omdat hij wel andere bankafschriften kon aanleveren en het college hem al uitstel had verleend. De Raad oordeelde dat het college terecht van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt en dat de aanvraag terecht buiten behandeling is gelaten.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag is terecht buiten behandeling gelaten wegens het niet tijdig aanleveren van bankafschriften.