Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:1488

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 april 2017
Publicatiedatum
19 april 2017
Zaaknummer
15/5602 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWArt. 26 WWArt. 27 lid 3 WWArt. 7:2 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens te late aanvraag en inschrijving werkzoekende

Appellante ontving tot 30 januari 2014 een Ziektewet-uitkering en diende op 2 september 2014 een aanvraag voor een WW-uitkering in, terwijl de werkloosheid vanaf 4 februari 2014 duurde. De aanvraag werd derhalve 199 dagen te laat ingediend en de inschrijving als werkzoekende 196 dagen te laat.

Het UWV stelde de WW-uitkering vast met een terugwerkende kracht vanaf 4 februari 2014, maar keerde deze niet uit over de eerste periode van 4 februari tot 3 maart 2014 vanwege de wettelijke termijn van 26 weken. Daarnaast werd de uitkering met 30% verlaagd gedurende vier maanden wegens het niet tijdig inschrijven als werkzoekende.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat geen sprake was van een bijzonder geval of verminderde verwijtbaarheid. Ook werd geoordeeld dat het UWV terecht afzag van een hoorzitting omdat appellante niet had gereageerd op het verzoek daartoe.

In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, waaronder het advies van haar advocaat om niet tijdig een aanvraag te doen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde het bestreden besluit, waarbij geen aanleiding was voor een andersluidend oordeel of proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de WW-uitkering wegens te late aanvraag en inschrijving als werkzoekende.

Uitspraak

15/5602 WW
Datum uitspraak: 19 april 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 juli 2015, 15/2200 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L. van Dinter, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2017. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante heeft tot 30 januari 2014 een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangen.
1.2.
Op 25 augustus 2014 heeft appellante zich ingeschreven als werkzoekende en op
2 september 2014 heeft zij een aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet
(WW) ingediend bij het Uwv.
1.3.
Bij besluit van 4 september 2014 is appellante in aanmerking gebracht voor een
WW-uitkering met ingang van 4 februari 2014 voor de duur van drie maanden. De uitkering komt over de periode van 4 februari 2014 tot en met 3 maart 2014 niet tot uitbetaling omdat deze periode is gelegen vóór 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag is ingediend. Verder is de uitkering per 4 maart 2014 verlaagd met 30 procent gedurende vier maanden, omdat appellante zich niet tijdig als werkzoekende heeft ingeschreven. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.4.
Bij beslissing op bezwaar van 16 februari 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 september 2014 ongegrond verklaard.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat appellante op 2 september 2014 de aanvraag om een WW-uitkering heeft ingediend. Tussen 4 februari 2014 en 2 september 2014 zijn meer dan 26 weken verstreken. Ingevolge artikel 35 van Pro de WW wordt de uitkering niet betaald over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag dat de aanvraag werd ingediend. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat de uitkering over de periode van 4 februari 2014 tot en met 3 maart 2014 niet tot uitbetaling komt. Er is geen sprake van een bijzonder geval, zodat het Uwv niet bevoegd is om hiervan af te wijken.
2.2.
Naast het feit dat appellante haar aanvraag om een WW-uitkering 199 kalenderdagen te laat heeft ingediend, staat ook vast dat appellante zich 196 kalenderdagen te laat als werkzoekende heeft laten registreren. Dit betekent dat appellante twee verplichtingen als bedoeld in artikel 26 van Pro de WW niet behoorlijk is nagekomen en dat het Uwv ingevolge artikel 27, derde lid, van de WW gehouden is om een maatregel op te leggen. Dat appellante op advies van haar advocaat heeft gewacht met het doen van een aanvraag en met de inschrijving als werkzoekende, komt voor haar risico en geeft geen aanleiding om geen of verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Het Uwv heeft de hoogte en de duur van de maatregel juist vastgesteld, waarbij het Uwv terecht is uitgegaan van schending van twee verplichtingen die voortkomen uit dezelfde oorzaak. Er is geen sprake van een dringende reden om van het opleggen van een maatregel af te zien, aldus de rechtbank.
2.3.
Wat betreft de beroepsgrond van appellante dat zij tijdens de bezwaarprocedure ten onrechte niet is gehoord, heeft de rechtbank overwogen dat de stelling van appellante, dat haar bezwaar door het Uwv niet telefonisch met haar gemachtigde is besproken op
15 januari 2015, op zich juist is, omdat uit de handgeschreven aantekening op de brief van
15 januari 2015, waarbij de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar met zes weken is verlengd, valt af te leiden dat een medewerker van het Uwv op die datum deze verlenging met de gemachtigde van appellante telefonisch heeft besproken. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit echter niet dat het Uwv ten onrechte heeft afgezien van het horen van appellante. Vast staat namelijk dat appellante niet heeft gereageerd op de brief van het Uwv van 13 oktober 2014, waarin haar is gevraagd of zij voor 10 november 2014 wil meedelen of zij wenst te worden gehoord en waarbij is vermeld dat de procedure wordt voortgezet op basis van het ingediende bezwaar als zij niet reageert. In het telefoongesprek op 15 januari 2015 heeft de gemachtigde van appellante kennelijk ook niet kenbaar gemaakt dat appellante wenst te worden gehoord. Gelet op deze omstandigheden kon het Uwv ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afzien van het horen van appellante.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep het standpunt herhaald dat haar toenmalige advocaat haar heeft geadviseerd om geen WW-uitkering aan te vragen en om zich niet in te schrijven als werkzoekende. Deze omstandigheden zouden volgens appellante moeten leiden tot het aannemen van verminderde verwijtbaarheid dan wel een dringende reden. Ook geven deze omstandigheden aanleiding om een bijzonder geval aan te nemen. Daarnaast heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van schending van de hoorplicht. Appellante heeft verzocht om een hoorzitting en dit verzoek is door het Uwv zonder motivering afgewezen. Het telefoongesprek op 15 januari 2015 kan niet worden aangemerkt als een telefonische hoorzitting, aldus appellante.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor de toepasselijke wet- en regelgeving wordt verwezen naar de overwegingen 4.1 tot en met 4.8 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid om te worden gehoord. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.
4.2.
Niet betwist is dat appellante haar aanvraag niet binnen een week na het intreden van werkloosheid en ook niet binnen 26 weken na nadien heeft ingediend en zich dus niet tijdig als werkzoekende heeft ingeschreven. Het geschil tussen partijen betreft de vraag of de door appellante aangevoerde omstandigheden aanleiding geven om een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35 van Pro de WW aan te nemen en de vraag of sprake is van verminderde verwijtbaarheid dan wel van een dringende reden op grond waarvan het Uwv had moeten afzien van het opleggen van een maatregel. Daarnaast is aan de orde of het Uwv de in artikel 7:2 van Pro de Awb neergelegde hoorplicht heeft geschonden.
4.3.
Appellante heeft in hoger beroep de in beroep aangevoerde gronden herhaald. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Voor een andersluidend oordeel zijn in hoger beroep geen aanknopingspunten.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2017.
(getekend) C.C.W. Lange
(getekend) M.S.E.S. Umans

TM