Uitspraak
OVERWEGINGEN
(WW) ingediend bij het Uwv.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving tot 30 januari 2014 een Ziektewet-uitkering en diende op 2 september 2014 een aanvraag voor een WW-uitkering in, terwijl de werkloosheid vanaf 4 februari 2014 duurde. De aanvraag werd derhalve 199 dagen te laat ingediend en de inschrijving als werkzoekende 196 dagen te laat.
Het UWV stelde de WW-uitkering vast met een terugwerkende kracht vanaf 4 februari 2014, maar keerde deze niet uit over de eerste periode van 4 februari tot 3 maart 2014 vanwege de wettelijke termijn van 26 weken. Daarnaast werd de uitkering met 30% verlaagd gedurende vier maanden wegens het niet tijdig inschrijven als werkzoekende.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat geen sprake was van een bijzonder geval of verminderde verwijtbaarheid. Ook werd geoordeeld dat het UWV terecht afzag van een hoorzitting omdat appellante niet had gereageerd op het verzoek daartoe.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, waaronder het advies van haar advocaat om niet tijdig een aanvraag te doen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde het bestreden besluit, waarbij geen aanleiding was voor een andersluidend oordeel of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de WW-uitkering wegens te late aanvraag en inschrijving als werkzoekende.