Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
€ 50,10 aan reiskosten;
van in totaal € 166,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellante kreeg op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) studiefinanciering toegekend, die door de minister werd herzien met ingang van 1 augustus 2012, waarbij appellante als thuiswonend werd aangemerkt. De minister verklaarde het bezwaar tegen dit besluit ongegrond. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit eveneens ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat het onderzoek waarop de minister zich baseerde onrechtmatig was, omdat het mede was verricht door een controleur die niet op basis van een arbeidsovereenkomst bij het privaat bedrijf werkzaam was, maar als zelfstandige zonder personeel. De Raad oordeelde dat het toezicht op de naleving van artikel 1.5 Wsf 2000 een overheidstaak is en dat het verlenen van toezichthoudende bevoegdheden aan personen buiten de overheid terughoudend moet gebeuren.
De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin is bepaald dat bevindingen van onderzoek dat mede is verricht door een onbevoegde controleur als bewijs ontoelaatbaar zijn. Omdat in deze zaak het onderzoek mede door een onbevoegde controleur was verricht, waren de bevindingen onrechtmatig verkregen en als bewijs ontoelaatbaar.
Zonder deze bevindingen ontbrak een voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de minister dat appellante niet op het opgegeven adres woonde. Hierdoor was het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, herroept het besluit van 17 mei 2013 en veroordeelde de minister in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot herziening studiefinanciering wordt vernietigd wegens gebruik van ontoelaatbaar bewijs door een onbevoegde controleur.