Uitspraak
OVERWEGINGEN
24 november 2014 ongedaan te maken.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank die haar beroep tegen een besluit van het UWV niet-ontvankelijk verklaarde. Het UWV had geweigerd de korting op haar WW-uitkering ongedaan te maken over de periode van juni 2013 tot november 2014. De rechtbank stelde vast dat het beroepschrift geen gronden bevatte en dat de door de rechtbank gegeven termijn voor herstel van dit verzuim ongebruikt was verstreken. Hierdoor was sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij de gronden niet had aangeleverd vanwege meerdere lopende procedures en persoonlijke omstandigheden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellante wist dat zij gronden moest indienen en dat het niet indienen hiervan niet verschoonbaar was. De Raad bevestigde de gemotiveerde overwegingen van de rechtbank en verwierp het hoger beroep.
De Raad concludeerde dat het beroep niet slaagt en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door C.C.W. Lange, in aanwezigheid van griffier M.S.E.S. Umans.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en het niet herstellen van dit verzuim binnen de gestelde termijn.