ECLI:NL:CRVB:2017:1559
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling eerstejaars Ziektewet: ongeschiktheid eigen werk, benutbare mogelijkheden en verlies recht op ziekengeld
Appellante, laatstelijk werkzaam als kamermeisje, meldde zich ziek met klachten aan linker schouder en voet na een verkeersongeval. Na een eerstejaars Ziektewet-beoordeling concludeerde de verzekeringsarts dat zij ongeschikt is voor haar eigen werk maar wel benutbare mogelijkheden heeft, vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Een arbeidsdeskundige berekende dat appellante met passende functies meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen. Het UWV besloot daarom het recht op ziekengeld te beëindigen, wat door appellante werd aangevochten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische en arbeidskundige beoordelingen zorgvuldig en overtuigend waren.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen over zwaardere beperkingen, ondersteund door een medisch rapport. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de FML adequaat de beperkingen weerspiegelt. De arbeidsdeskundige had voldoende gemotiveerd waarom de geselecteerde functies passend zijn.
De Raad zag geen aanleiding voor nader medisch onderzoek en concludeerde dat appellante met de geselecteerde functies meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het recht op ziekengeld vervalt omdat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.