Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
het besluit van 1 augustus 2014;
van in totaal € 168,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellante kreeg op grond van de Wet studiefinanciering 2000 een herziening opgelegd waarbij zij vanaf 1 januari 2012 als thuiswonende studente werd aangemerkt. De minister verklaarde het bezwaar tegen dit besluit ongegrond en de rechtbank Rotterdam wees het beroep van appellante af.
In hoger beroep stelde appellante dat het onderzoek naar haar woonsituatie deels was verricht door een controleur die niet bevoegd was, namelijk een zelfstandige zonder personeel die niet in dienst was van het aangewezen privaat bedrijf. De Raad overwoog dat het toezicht op de naleving van de Wsf 2000 een overheidstaak is en dat aanwijzing van controleurs buiten de overheid strikt moet worden beperkt.
De Raad oordeelde dat bevindingen van onderzoek dat mede door een onbevoegde controleur is verricht als bewijs ontoelaatbaar zijn. Hierdoor ontbrak een deugdelijke feitelijke grondslag voor het besluit van de minister. De rechtbank had dit motiveringsgebrek niet onderkend, waardoor de uitspraak voor vernietiging in aanmerking kwam.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het eerdere besluit van 18 april 2014, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde de minister in de proceskosten van appellante. Tevens werd de minister verplicht het betaalde griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt gegrond verklaard en het besluit tot herziening studiefinanciering wordt vernietigd wegens ontoelaatbaar bewijs.