ECLI:NL:CRVB:2017:1566
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- P.W. van Straalen
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak bijstandsaanvraag wegens onjuiste grondslag en onvoldoende onderzoek zelfstandigheid
Appellanten deden op 21 maart 2014 een aanvraag om bijstand op grond van de WWB. Het college wees de aanvraag af en vorderde terugbetaling van verstrekte voorschotten, met als grondslag dat appellant als zelfstandige moest worden aangemerkt, gebaseerd op een advies van de ambtelijke adviescommissie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld vanwege onvoldoende inzicht in de omvang van de activiteiten als artiest.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte buiten de omvang van het geding trad door te beoordelen of het recht op bijstand kon worden vastgesteld, terwijl het geschil ging over de zelfstandigheid. De Raad oordeelde dat de rechtbank inderdaad buiten de omvang van het geding was getreden en vernietigde de uitspraak. Tevens stelde de Raad vast dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de zelfstandigheid van appellant zoals vereist in het Bbz 2004.
De Raad beoordeelde vervolgens of het recht op bijstand kon worden vastgesteld. Appellanten hadden onvoldoende duidelijkheid verschaft over hun financiële situatie en inkomsten uit optredens en verkoop van promotiemateriaal, ondanks registratie bij de Kamer van Koophandel en een commerciële website. Door het ontbreken van administratie kon het college het recht op bijstand niet vaststellen.
De Raad liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand en verwierp het bezwaar dat de voorzitter van de ambtelijke adviescommissie niet onafhankelijk zou zijn. Tot slot veroordeelde de Raad het college in de kosten van appellanten en bepaalde dat het griffierecht werd vergoed.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak en het besluit, laat de rechtsgevolgen in stand en veroordeelt het college in de kosten.