ECLI:NL:CRVB:2017:158
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens feitelijke woonsituatie ondanks onrechtmatig bewijs
Appellant was ingeschreven op een adres waar ook zijn tante woonde en kreeg studiefinanciering toegekend als uitwonende student. Controleurs voerden een huisbezoek uit en constateerden dat appellant feitelijk niet op dat adres woonde. Op basis hiervan herzag de minister de studiefinanciering en kwalificeerde appellant als thuiswonend, waarna het te veel betaalde bedrag werd teruggevorderd.
Appellant voerde bezwaar aan tegen de herziening en stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat de controleurs niet doorvroegen. Tevens werd aangevoerd dat een verklaring van appellant op het ouderlijk adres onrechtmatig was verkregen door onbevoegde controleurs en daarom als bewijs ontoelaatbaar was.
De Raad oordeelde dat toezicht op de naleving van de Wet studiefinanciering een overheidstaak is en dat onderzoek door onbevoegde controleurs, die niet in dienst zijn van het aangewezen private bedrijf, niet als bewijs mag worden gebruikt. Hierdoor werd de verklaring van appellant uitgesloten. Desondanks waren de bevindingen van het huisbezoek op het brp-adres voldoende om aan te nemen dat appellant daar niet woonde. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de studiefinanciering bevestigd.