ECLI:NL:CRVB:2017:1601
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- G.M.G. Hink
- J.H.M. van de Ven
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen
Appellante ontvangt sinds 1996 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een melding van haar zoon over haar werkzaamheden en beheer van spaarrekeningen, heeft de gemeente Rotterdam een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek bracht kasstortingen en bijschrijvingen van derden op haar bankrekeningen aan het licht over de periode 2006-2012.
Het college besloot daarop de bijstand over deze periode te herzien en een bedrag van €26.553,77 terug te vorderen wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank oordeelde dat appellante deze bedragen kon beschikken en geen verifieerbare verklaring gaf voor de herkomst, waarbij bepaalde bijschrijvingen buiten beschouwing werden gelaten. De rechtbank stelde ook vast dat de berekening van de terugvordering onjuist was vanwege een vakantietoeslag en gaf het college gelegenheid dit te herstellen.
Het college stelde het bedrag bij tot €26.153,41, waarna de rechtbank het beroep deels gegrond verklaarde en het bedrag vaststelde. In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen, waaronder dat de stortingen afkomstig zouden zijn van gokwinsten en giften. De Raad wees het verzoek haar zoon als getuige te horen af, oordeelde dat de gronden van appellante onvoldoende waren om het oordeel van de rechtbank te wijzigen en bevestigde de eerdere uitspraken.
De Centrale Raad van Beroep concludeert dat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden door de stortingen niet te melden, dat het college de terugvordering correct heeft vastgesteld en dat het hoger beroep faalt. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van €26.153,41 wegens niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen.