Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:1601

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 april 2017
Publicatiedatum
25 april 2017
Zaaknummer
15/5572 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:60 AwbWet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen

Appellante ontvangt sinds 1996 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een melding van haar zoon over haar werkzaamheden en beheer van spaarrekeningen, heeft de gemeente Rotterdam een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek bracht kasstortingen en bijschrijvingen van derden op haar bankrekeningen aan het licht over de periode 2006-2012.

Het college besloot daarop de bijstand over deze periode te herzien en een bedrag van €26.553,77 terug te vorderen wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank oordeelde dat appellante deze bedragen kon beschikken en geen verifieerbare verklaring gaf voor de herkomst, waarbij bepaalde bijschrijvingen buiten beschouwing werden gelaten. De rechtbank stelde ook vast dat de berekening van de terugvordering onjuist was vanwege een vakantietoeslag en gaf het college gelegenheid dit te herstellen.

Het college stelde het bedrag bij tot €26.153,41, waarna de rechtbank het beroep deels gegrond verklaarde en het bedrag vaststelde. In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen, waaronder dat de stortingen afkomstig zouden zijn van gokwinsten en giften. De Raad wees het verzoek haar zoon als getuige te horen af, oordeelde dat de gronden van appellante onvoldoende waren om het oordeel van de rechtbank te wijzigen en bevestigde de eerdere uitspraken.

De Centrale Raad van Beroep concludeert dat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden door de stortingen niet te melden, dat het college de terugvordering correct heeft vastgesteld en dat het hoger beroep faalt. Er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van €26.153,41 wegens niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen.

Uitspraak

15.5572 WWB

Datum uitspraak: 25 april 2017
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van
20 januari 2015 (aangevallen tussenuitspraak) en 7 juli 2015, 14/586 (aangevallen einduitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D.H. van Tongerlo, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2017. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. R.J.M. Codrington.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 26 maart 1996 bijstand, ten tijde van belang op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Naar aanleiding van de melding van 21 juni 2012 van de zoon van appellante, dat appellante als schoonmaakster werkt, tot medio 2011 was gemachtigd voor zijn spaarrekening en de spaarrekeningen van zijn kinderen en ook gebruik heeft gemaakt van deze rekeningen, heeft een sociaal rechercheur van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid, afdeling Bijzondere Onderzoeken van de gemeente Rotterdam (sociaal rechercheur) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek gedaan, de zoon van appellante gehoord, afschriften van de bankrekeningen op naam van appellante opgevraagd en appellante op
12 februari 2013 en 4 maart 2013 verhoord. Uit de ontvangen bankafschriften blijkt dat in de periode van januari 2006 tot en met december 2012 een groot aantal kasstortingen en bijschrijvingen van derden op de bankrekeningen van appellante hebben plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 4 maart 2013.
1.3.
De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van
14 mei 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 december 2013 (bestreden besluit), de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2012 te herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van
€ 26.553,77 van appellante terug te vorderen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door de kasstortingen en de bijschrijvingen van derden op haar bankrekeningen niet te melden en dat deze bedragen als inkomsten van appellante worden aangemerkt en in mindering worden gebracht op de bijstand van appellant.
2. Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante over de kasstortingen en de bijgeschreven bedragen op haar bankrekeningen kon beschikken. Appellante heeft geen concrete en verifieerbare verklaring gegeven voor de herkomst van die bedragen. Van de stelling dat deze bedragen winsten betreffen afkomstig van casino’s, bingo’s en gokkasten heeft appellante geen verifieerbaar bewijs overgelegd en zij heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de bedragen deels van leningen dan wel deels van giften of terugbetalingen van vriendinnen afkomstig zijn. Anders dan appellante stelt, heeft het college de bijschrijvingen van instanties als Woonbron, Reaal, Fortis Ass, Unigarant, ASR, Eneco en de Belastingdienst buiten de berekening van de herziening en de terugvordering gelaten. Appellante heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de bijschrijvingen en de kasstortingen op haar bankrekeningen. De rechtbank stelt wel vast dat de berekening van de herziening en terugvordering van de als inkomsten aangemerkte kasstortingen en bijschrijvingen een deugdelijke motivering ontbeert, omdat deze bedragen met acht procent vakantietoeslag zijn vermeerderd. Het college is in de gelegenheid gesteld dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
2.1.
Bij brief van 2 maart 2015 heeft het college de berekening van de herziening en de terugvordering nader vastgesteld op een bedrag van € 26.153,41.
2.2.
Bij de aangevallen einduitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 14 mei 2013 herroepen voor zover het betreft het totaalbedrag van de herziening en de terugvordering en dit bedrag vastgesteld op € 26.153,41.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen tussenuitspraak en aangevallen einduitspraak gekeerd voor zover de terugvordering is vastgesteld op een bedrag van € 26.153,41 Zij heeft daartoe, evenals in beroep, aangevoerd dat zij nimmer werkzaamheden heeft verricht en dat haar zoon onjuiste verhalen heeft verteld. Appellante heeft verder, evenals in beroep, aangevoerd dat zij zoveel mogelijk informatie heeft verstrekt over de kasstortingen en bijschrijvingen. Zij verwijst naar haar in bezwaar overgelegde verklaring, waarin zij heeft verklaard dat deze stortingen afkomstig zijn van winsten van casino’s, bingo’s en gokkasten en de bijschrijvingen van derden, deels van leningen, deels van giften en terugbetalingen van vriendinnen en familieleden. De bijschrijvingen van Woonbron en Reaal dienen niet in mindering te worden gebracht.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante heeft verzocht haar zoon op te roepen en als getuige te horen. De Raad kan ingevolge artikel 8:60, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) getuigen oproepen. De Raad heeft aan het verzoek van appellante geen gehoor gegeven. Het bestreden besluit is immers gebaseerd op de kasstortingen en de bijschrijvingen op de bankrekeningen van appellante en niet op het verrichten van werkzaamheden door appellante waarvan de zoon melding heeft gemaakt. Het als getuige oproepen van de zoon van appellante is dus niet noodzakelijk.
4.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hij voegt daaraan nog toe dat appellante geen gronden heeft aangevoerd tegen de herberekening van het bedrag van de herziening en terugvordering, zoals in de aangevallen einduitspraak opgenomen.
4.3.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak worden bevestigd, voor zover aangevochten.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en G.M.G. Hink en
J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2017.
(getekend) A. Stehouwer
(getekend) M.S. Spek

UM