Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
van het besluit van 26 maart 2015;
Centrale Raad van Beroep
Appellante maakte bezwaar tegen een besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarin haar studiefinanciering werd herzien met de aanname dat zij vanaf 1 januari 2013 als thuiswonend studerende moest worden aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het onderzoek naar de woonsituatie van appellante mede is verricht door een onbevoegde controleur, namelijk een zelfstandige zonder personeel die niet in dienst was van het aangewezen privaat bedrijf.
De Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat toezicht op naleving van artikel 1.5 Wsf 2000 een overheidstaak is en dat het verlenen van toezichthoudende bevoegdheden aan personen buiten de overheid terughoudend moet gebeuren. Bevindingen van onderzoek verricht door onbevoegde controleurs zijn als bewijs ontoelaatbaar. Hierdoor zijn de bevindingen van het onderzoek onrechtmatig verkregen en kan het besluit van de minister niet op een deugdelijke motivering steunen.
De Raad vernietigt daarom de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, herroept het oorspronkelijke besluit van 12 december 2014 en veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante. Tevens wordt de minister verplicht het betaalde griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot herziening van studiefinanciering wordt vernietigd wegens ontoelaatbaar bewijs.